zondag 30 augustus 2009

19. Beira Litoral

19. Beira Litoral (Centro)
Waar waren we ook alweer gebleven? De waterkant! Het was al vier dagen mistig aan de kust van Praia De Vieira. Een koude westerse oceaanwind maakte dat we onze pullover terug uit de kast moesten halen. Er was meer: We hadden een wasje geslagen en dat wilde maar niet drogen. Alles was klam en vochtig. We besloten terug het binnenland in te trekken. Doel was nu de vallei van de Taag. We trokken naar Abrantes (www.rtribatejo.org) en verwisselden in de tijdspanne van één uur de koude vochtige kust (19°C) voor de hete droge oven van het binnenland (35°C).
Het oude stadsgedeelte van Abrantes is gebouwd in de schaduw van een feodale kasteel tegen de bergflank (188m). Toch twee kilometer verwijderd van de oevers der Taag. Dat betekend ook dat de straten up en down aangelegd zijn wat voor personen moeilijk te been geen sinecure is. Wij vonden een platte parking net over de brug op de linkeroever. Kwestie van niet uit ons bed te rollen!
Na een nacht vonden we het welletjes, de was was droog en besloten we terug te keren naar de koelere kust: nu Figueira da Foz. De mist was opgetrokken, blauwe lucht en de temperatuur 25°C. Aangenaam strandweer dus. We vonden parking aan de uiterste zuidkant van het strand (gratis plaats voor 350 auto’s) waar al heel wat zwerfwagens waren samengetroept. De overdekte markt (Mercado Municipal) is er op loopafstand rechtover de jachthaven, wat het dagelijkse boodschappen probleem meteen ook oploste.
Figueira da Foz heeft de allure van een mondaine badstad met Casino. Het strand met extra fijn korrelig wit-zand is drie km lang en 300 tot 500 m breed. Via houten wandelpadden geraak je tot aan de waterlijn, zodat je niet door het zand hoeft te ploeteren (www.turismo-centro.pt, www.figueiraturismo.co, www.cae.pt).
Verkennen van de andere badplaatsen
’s Anderdaags verplaatsen we ons verder naar het noorden. Daarvoor volgden we de toeristische haarspeldbochtige weg over Cabo Mondego naar de uitkijk van Alto de Bandeira (256 m) met schitterende panorama en verder door een eucalyptus- en sparrenbos naar Praia da Quiaios. Dit is een familiebadplaatsje waar enkele zwembaden het probleem van het woelige in zee zwemmen oplost, zeker voor kleine kinderen.
We trokken nog verder, nu naar Praia da Tocha, ook Palheiros da Tocha genoemd omdat de huizen hier op palen gebouwd worden (palheiro = paal). Hier is de zeedijk maar één km lang. Het strand bereik je over houten wandelpaden (ook voor mindervaliden). De bibliotheek staat op het strand en je kan er gratis internetten.



Praia da Tocha vormt een fusiegemeente met de stad Cantanhede (www.cantanhedeonline.pt). Het plaatselijke VVV verwees ons naar een plek waar we met onze zwerfwagen konden overnachten aan een tennisveld. We stonden er niet alleen en het was een aangename picknickplaats. Op voorziene stenenovens kon je sardientjes roosteren, dat je eerder kocht aan vissers op het noordelijk uiteinde van de zeedijk. Propere WC’s voorzien. Wat er niet bij verteld werd was dat in het clubhuis van de tennis: ‘Bar das dunas’, ’s nachts disco werd gehouden. Van de ganse nacht geen oog dicht gedaan en ’s anderdaags verhuist naar de zuidkant van de dijk waar het rustig was. In de namiddag loopt het stadje bomvol met badgasten uit het binnenland. Parkeerruimte wordt dan schaars.
Beschouwend overzicht van de Portugese kusten
Wat opvalt is dat in alle badplaatsen de duinflora streng beschermde gebieden zijn. Colabore na protecçao das dunas. Use as caminhos estabelecidos. Men maant de mensen aan de duinen te respecteren en gebruik te maken van de houten staketselwandelpaden (van het zand gescheiden op palen). Deze constructies zijn over de duinen heen gebouwd.
Netheid
In tegenstelling met ons vorig bezoek in 1999, is tot onze verassing Portugal zinnelijk geworden. Om zeven uur ‘s morgens zijn de opkuisploegen al in de weer om het zwerfvuil op te ruimen. Veel hoeft er niet geruimd te worden. De talrijke vuilnisbakken en de nodige voorlichting van de staat hebben hun nut bewezen (*). De plaag van zwerfvuil heeft zich vermoedelijk naar onze contreien verplaatst (dure vuilniszakken waar bespaard op moet worden?) Ook de talrijke gratis WC’s met papier aan het strand en zelfs op picknickplaatsen zijn proper onderhouden. Een poetsploeg komt regelmatig langs of een vaste kracht (m/v) houdt de boel in het oog. Er wordt geen geld aanvaard. Service van de gemeente.
Veiligheid
Naar onze normen is er nogal veel politie te been. Patrouilles te voet, per auto, fiets en te paard (dit laatste voor de bossen en duinen). De praia’s (stranden) liggen soms 10-20 kilometer uiteen. Daartussen sparrenbossen, duinen en maagdelijk uitgestrekt strand.
Het minpunt is dat de zee door haar wild aanstormende rollers en branding weinig kans laat tot veilig zwemmen. Het oceaanwater is ook koud. Toch staan overal redders geposteerd. Het fijne zandstrand is er wel een eldorado voor zonnekloppers. Hotels en gemeenten hebben ingespeeld op deze tekortkoming. In Praia da Vieira noteerde ik voor het openlucht badcomplex: Meriparque: €10/7 per dag en in Espinho Balneario Marinho: €3,40:€2,50 voor 90 minuten veilig waterplezier. Wel lijkt de deze kust een paradijs voor surfers.
Rijgedrag
Het rijgedrag van de Portugezen is vergelijkbaar met het onze. Als er al eens iemand gek doet kan je er een bod op doen dat het ene met franse autoplaat betreft! De secundaire banen doorheen de dorpen is de maximale snelheid 50 à 30 km. Er bestaan snelheidsdrempels maar het systeem van het rode trafieklicht, zoals in Spanje overigens waar het al 20 jaar bestaat: je rijdt te snel en 100 meter verder sta je gegarandeerd voor het rood licht, is stoppen een snelheid van 0 km hier ook invoegen. Het werkt efficiënter dan de weg bezaaien met bloembakken maar is geen schatkistvullende extra inkomst, zoals bij ons met de flitspalen! Portugese politici zijn vermoedelijk (nog niet) onverzadigde geldwolven. Het is pas in grote steedse centra dat we betaalautomaten aantroffen. Voor de rest is parkeren overal gratis wat ook als een slok op de borrel bespaard. Tot nu toe ben ik nog maar in één maand Portugal €2,40 parkeergeld kwijt!
Toltarieven op auto(snel)wegen
www.touring-e-explorer.be
Enkele prijzen
Terras op de zeedijk: grote tas koffie (vraag naar een abatanado) €0,60 à €0,70, Sangresbier 33 cl: €1,00 à €1,50.
Aanzichtkaart: €0,35 a €0,40. Magnum ijsje €1,50, schepijsje per bol: €1,00 à €1,20.
Supermarkt: Kotlet (zwijn): €1,60 à €2,00/kg, kip: €1,60, geroosterde kip: €6,00, tomaten: €0,55/kg, Bananen: €0,85/kg, nectarines: €1,00/kg, aardappelen: €0,20/kg, 1 liter melk: €0,45, ¼ kg boter: €1,40, 1 liter olie: €1,05, Briekaas: €5,55, 6 flessen special Superbockbier 33 cl: €24, lokaal bier Sagres in flessen van 33 cl: €9,50, doos 6 eieren €0,45, witloof (andiva): €1,85/500 gr., fles porto: €4,50 à €10,00.
Vismarkt (de meeste vis is ons onbekend of toch niet verkrijgbaar op onze markten): verse zalm: €8,00/kg, grote gekookte gamba’s: €15,00/kg, cavala (makreel): €5, pescado: €4 à 5/Kg.
Voetnoot
(*) Een reusachtige rondrijden publiciteitsbus demonstreert op de zeedijken hoe afval gerecycleerd moet worden. Voor de jeugd zijn er elektronische spelletjes voorzien zoals: welk afval moet er in een van de vier verschillende gekleurde afvalbakken op het strand? www.residuosemmovimento.net.
© www.camperreiswegwijzer.be

dinsdag 25 augustus 2009

18. De waterkant

18. De waterkant
Waar waren we ook alweer gebleven? Fatima! Na zes dagen in het heiligdom waren we van alle zonden gezuiverd. Verlicht trokken we terug naar de koelte van de kust. Nu Praia da Vieira.
Ook dit plaatsje vond haar oorsprong in de visserij. Als badstad is het nog op mensenmaat en wij voelden er ons direct thuis. We vonden plaats op de zeedijk met zicht op strand en de oceaan. Naar het noorden toe is er ruime parkeermogelijkheden, o.a. ook voor motorhomes, aan beide oevers van de Rio Lis.
Als sedert het ontstaan der tijden beuken hier de golven zich te pletter tegen de Portugese kust. Het water is dan ook minder vriendelijk voor zwemmers. Het kan aangenaam zijn voor surfers maar wat minder watergeweld is gunstiger voor de vissers. Zij moeten met hun ranke bootjes deze branding overwinnen om hun netten in zee te dumpen. Het in zee lanceren gebeurt nu nog van op het strand met de nodige mankracht. De grotere schepen worden door tractoren de zee ingeduwd.
De schipper taxeert de aanrollende zeeën. Hij weet uit ervaring het gunstigste moment om gelanceerd te worden. Toch is het altijd spectaculair hoe het ranke scheepje na enkele opdoffers van brekers, waarbij de opvarende tonnen zeeschuim over zich heen krijgen, dieper water onder de kiel krijgt. Vroeger gebeurde de voorstuwing met de riemen. Nu dienen de riemen als roer en stabitalor bij het in zee gooien van het net. De vissers hebben hulp van een buitenboordmotor om hun broodwinning tegen het natuurgeweld op te nemen.
Buitenboordmotor? Omdat deze niet op de romp gemonteerd kan worden door het ontbreken van een spiegel en de scherpe achtersteven gebeurt de vasthechting binnenboord. De schroef steekt door een gat in de rompbodem om haar onderwater voortstuwende taak te vervullen. Vastgehecht is het geheel aan een waterdicht schot, zodat er geen water in de kuip binnenstroomt.
Met de buitenboordmotor (die nu binnenboord staat) kan men niet zoals bij een zodiak manoeuvreren. Ze staat vast. Bij de lancering is de al draaiende schroef opgetrokken en pas als het schip in het water geduwd is wordt deze neergelaten Anders schroeft ze in het zand.
Het net ligt zo opgeplooid dat de ‘kul’ er als laatst overboord gaat. De ‘wings’ (zijnetten) maken van het geheel een reusachtige fuik. Op het net en haar ‘wings’ in de juiste positie te houden zijn de nodige vlotters voorzien. Het vissersbootje keert nu naar de kust terug.
Het binnenhalen van het net
Gebeurt manueel (artisanal) door de bemanning bij kleinere ondernemingen. Bij de grotere schepen door tractoren. In het Portugees spreekt men van “arte de Xavega” -visserij. De totale bemanning, zowel voor het bedienen van de schepen als aan wal bestaat uit 20 à 22 koppen. De twee trekkabels zitten hier met het sleepnet wel twee kilometer ver in zee. Het net wordt traag naar de kust toegewincht door lieren die op de tractoren zijn gemonteerd. Bij het begin staan de twee tractoren ver uit elkaar om de wings het maximale ruimte te geven het strand af te vissen. Vissen die zo gehinderd worden zoeken dieper water op. Dat is de bedoeling van de fuik die hun naar de kul van het net jaagt. Naar gelang het net het strand nadert wordt de hoek verkleind tot het net bijna op het strand getrokken ligt. De tractoren staan nu praktisch naast elkaar.
De vangst mag zich verheugen in de zomer door een horde toeristen. Meestal belemmeren ze het werk van de vissers. De blinkende springlevende visjes – 90% zijn sardienen - en enkele grotere vissen (roli, cavala en selema) is de beloning van uren arbeid.
De vissersboten van Praia da Vieira zijn geregistreerd in Nazaré. Foto’s en prentbriefkaarten tonen nog hoe de schepen vroeger op het strand getrokken werden door ossen. Deze tijd is nu past. Behalve één scheepje, de Senhora da Luz, waar het net en schip door handenarbeid nog op het droge worden gesleurd, worden de grotere schepen, Deus te Salvare en Viking, hier machinaal afgewerkt. De manschappen verdienen volgens een procentsysteem (zoals bij onze Noordzeevissers) hun kost.
Dat de vis hier ook duur betaald wordt herinnert op de zeedijk een klein monument. Op 15 november 1907 kwamen toen 13 vissers van de Salsinha bij een scheepsramp om het leven.

Als een schreeuw in de nacht
De vrouw schreeuwde zich de stembanden schor uit het lijf. Krampachtig perste ze met een geraspte geluid er de laatste schreeuw als een snik in de nacht uit. Een smeekbede om aandacht. De laatste rauwe tonen waren nog niet de lucht ingeblazen toen de zaal in een gejoel en daverend applaus losbarste. Fado.
We waren uitgenodigd door de plaatselijke FC De Kampioenen! O grupo desportivo da Praia de Vieira beloofde ons een ‘Grandiosa noite de Fado’. Met fadistas da Nossa Terra (*). Vier vrouwen en twee mannen van de voetbalclub zouden ons vergasten op een avondje nationale zang: de fado. De plaats van het gebeuren was in het feestzaaltje, kortweg de Cinema genoemd. De zaal liep barstens vol met jong en oud. De toegang was gratis maar een kleine donatie was altijd welkom voor de clubkast. Iedereen kende ieder in deze oorspronkelijke gesloten visserscommune. De zaal brulde dan ook het refrein mee. Ambiance als op het voetbalveld als eigen ploeg een goal trapte.
Fado
Het ontstaan van de Fado is onduidelijk. Is haar ontstaan te zoeken in het moors, van negers slaven uit Brazilië? Feit is dat het ontstond in Lissabon en wel in de Alfamawijk. De fado is een lied van de donkere nacht. Het was het lied van de schaduwzijde van de maatschappij. Een uitlaatklep in tijden van crisis. Zeelieden, werklozen, criminelen, prostituees en ander tuig waren de eerste fadistas.
‘Saudade’ is Portugees dat niet in één woord samen is te vatten. Het woord komt van het Latijnse fatum wat het lot betekend. Het betekend een melancholie verlangen wat ooit was er niet meer is en er nooit meer zal komen. Het zit dieper dan nostalgie. De zanger wordt begeleid door een fadogitarist (met guitarra portuguesa) en een viola.
De fado kreeg wereldvermaardheid door o.a. Amalia Rodrigues, la Rainha da Fada. Zij was het die de fado naar het Olympia en Carnegie Hall bracht en het lied de status meegaf met teksten van dichters als Luis de Camoes, Fernando Pessoa en David Mourao-Ferreira.
www.visitlisboa.com
(*) Carlos Pedrosa, Idilia Pedrosa, Lurdes Faustino, Odete Margues, Quim Leandro en Adelaine Ferreira.
www.turismo-centro.pt, www.figueiraturismo.co, www.cae.pt.
© www.camperreiswegwijzer.com

dinsdag 18 augustus 2009

14. De geheimen van Fatima

17. De geheimen van Fatima
Waar waren we ook alweer gebleven? Aan de Praia do Prata. Het werd aan de kust mistig en er stond een straffe koude westenwind pal uit de oceaan. We besloten het binnenland te exploiteren. Ook al omdat onze auto onderhanden genomen moest worden voor haar periodiek kilometeronderhoud.
We reden door het uitgestrekte Leiriawoud naar Marinho Grande. Dit sparrenbos dat in de 12de eeuw aangelegd werd door de Cisterciënzers monniken om het opwaaiende zand tegen te houden, werd het hout na 100 jaar al gebruikt voor de Portugese om de toen high technische karvelen te bouwen. Het werd ook in tegenstelling tot de Spaanse conquistadores - dat hun land kaal kapten voor hun houten schepen om het goud van de Inca’s te gaan roven - ook als exportproduct verkocht. Portugezen waren voornamelijk handelaars. In de 19de eeuw gebruikte men het voor de glasindustrie (hout+zand) en verrees Marinho Grande letterlijk uit het zand der duinen. Ook worden van de bomen het hars afgetapt voor terpentijn.
Omdat er geen Mercedesgarage voorhanden was lieten we het onderhoud doen bij een Citroëndealer. Als naar Oost-Europees gebruik liet ik ook de oliefilter vervangen. Op de vraag ook de brandstoffilter te vervangen wis ik zo meteen geen antwoord. Ik vertelde de man in de receptie dat dit volgens mijn weet - in de 15 jaar dat we met deze auto rondtoerden - nog nooit gebeurd was. Toch liet ik in alle landen mijn onderhoud en herstellingen bij Mercedes uitvoeren. Hilariteit en ongeloof. De brandstoffilter werd meteen vervangen.
We overnachtte aan een nieuw aangelegd wandelpark in Marinho Grande. Deze stad is nog niet zo oud en beschikt over een infrastructuur met alles erop en eraan. Zelfs vanuit het park konden we draadloos (WiFi) met onze laptop internetten.
Omdat het weer niet meezat besloten we naar Fatima op te stomen. Eerst werd een tussenlanding gemaakt in Batalha, waar een onafgewerkte kapel de toeristische trekpleister is (capelas imperfeitas). De kerk en klooster met twee kloostergangen hebben hun ontstaan te danken aan koning Joao I. Die had de Heilige Maagd afgesmeekt voor de goede afloop van een veldslag (Aljubarrota op 15 augustius 1385, 15 km ten zuiden van Batalha) en een gelofte gemaakt een klooster te bouwen (nu Unesco werelderfgoed. Toegang €5/ €2,50 voor pensionados).
Het komt ons voor dat de meeste heiligdommen hier hun ontstaan te danken hebben aan verschijningen, mirakels en gewonnen slagvelden!
Tempeliers
We reden naar Fatima maar besloten eerst nog even door te rijden naar Tomar (www.visittemparios.com of .pt), 40 kilometer verder het binnenland in. Deze stad (15.000 inw.) is nauw verbonden met de Portugese tak van de Tempeliers: Ordem da Cavalaria do Templo, kortweg Templarios). Omdat ze te machtig werden, volgens de franse koning Philips IV de Schone, werd paus Clemens V (in ballingschap in Avignon) onder druk gezet de orde te ontbinden. De Portugezen zagen de bui al hangen en verwisselden de boog van schouders. Voortaan gingen ze door het leven als: Ordem da Cavaleria de Nosso Senhor Jesus Cristo. En wie kan daar wat verkeerds over zeggen? Daarmee bleef alles bij het oude en zelfs vermeerderde ze hun macht. Hendrik de Zeevaarder en koning Manuel I werden grootmeesters. De ontdekkingsreizen werden door de orde gesponsord.
Tabuleiros
Een van Portugal eigenaardigste festa’s is deze van de Tabuleiros in Tomar. Het is een overblijfsel uit de middeleeuwen. Koningin Isabel Aragao – later heilig verklaard – legde de fundatie voor een christelijke solidariteit om de arme bevolking met vlees, wijn en brood eens te verwennen. Wat ononderbroken overbleef sedert de 17de eeuw is de originele festa da Tabuleiros. Vierhonderd jonge vrouwen (vroeger voorbehouden aan maagden) torsen een presenteerblad (tabuleiro) torenhoog opgestapeld met broodjes, even hoog als zijzelf op het hoofd. Met de door de priester gewijde brood - op de top een kroon met witte duif als symboliek voor de heilige geest, het feest heeft plaats in Pinksteren - wordt in processie gedragen door de maagdelijk in het wit geklede dames vergezeld van evenveel jonge mannen.
Terug in Fatima (8.000 inw, www.rt.leiriafatima.pt) is er een speciale gratis parking voorzien zwerfwagens. Er zijn toiletten en het weekend gelegenheid tot het nemen van douches (09 – 18h). In tegenstelling tot Lourdes is er veel parkeerruimte voorzien en kunnen pelgrims (en toeristen) vrij hun tenten opslaan tussen de rechtopstaande ranke eucalyptussen en grille vertakte steeneiken. Talrijke stenen tafels met bank nodigen uit voor de picknick. Drinkbaar water is overal beschikbaar. De weekends zijn er dan ook zeer druk.
Toch laat ook hier de recensie zich voelen. De wildgroei aan kleine en grote religieuze spullen verkopende winkels komen met armoe uit hun kosten. Kelners staan aan de deur van hun zaak met de menu’s in aanslag klanten te lokken.
Op het onmenselijke grote plein voor de basilica do Santuario staat de pas de op 13 oktober 2007 ingewijde en half in de grond verzonken Igreja da Santissisma Trindade met 8633 zitjes.
Op het plein zelf is er een marmeren ‘pista encurtada’ (glijbaan) dat lichtjes afglijd naar de verschijningskapel (Capelinha das Apariçoes). Gelovigen die boete doen, of een gelofte hebben afgelegd, kruipen op de knieën naar de kapel. Veel hebben hun knieën ingewikkeld met lappen stof of beschermplaten, gebruikelijk bij beoefenaars van skeelers, aangebonden. De bedoeling is dat een rondje omheen de verschijningskapel te maken. Als er geen mis is ook even rond het altaar. De moedigste keren de ganse weg, nu bergop, terug naar de startplek. Ik schat de totale afstand toch op één kilometer.
Op de knieën
Gefascineerd besloot ik zelf de test te ondergaan. Zo wist ik tenminste waarover ik schreef. Omstreeks negenuur in de morgen begaven we ons naar de start. Eerst offerde Eliane nog een kaars dat ze eerder kochten in het Spaanse bedevaartsoord El Rocio. Je kon er wel kaarsen kopen maar niet laten branden! Wel geld in de ‘orgel’ steken waarna in een namaak witstenen kaarsje een lampje begon te gloeien. Flauw.
Dus die echte waskaars werd hier volgens de regels geofferd op de daartoe aangewezen plaats.
Als boetepak had ik een lange broek mee dat tien jaar geleden al nuttige dienst deed. Toen waren mijn benen (in short) verbrand door de felle zon op onze tocht naar Compostela. Boete doe je op je blote knieën tot bloedens toe. Maar iedereen gebruikt wel iets om de knieën te beschermen. Ik had twee handdoekjes – gekregen van iemand die het in een of andere VIP-hotel had gejat en aan mij had gegeven: “of ik er iets kon mee doen?” Ja, als kniebeschermers in Fatima!
Voordien hadden we afgesproken dat ik de afstand zou afleggen tot aan de kapel en niet verder, toch goed voor 300-tal meters. Ik wilde niet als ‘ongelovige’ de pretentie hebben de missen, die continue daar plaats hebben, te onteren met een onnozele stunt. Daarvoor heb ik te veel respect voor de gelovigen.
Ik startte meteen met een vrouw dat haar kind op de arm torste. Achter mij ook een vrouw die een baby op kangoeroewijze op haar buik droeg. Twee meter verder waren beiden me al voorbij geschoven. Nou moe!
Mijn geïmproviseerde knielappen bleken ook geen succes. Ik stroopte de pijpen van mijn broek op en plaatste ze op mijn blote knieën, de broek die nu spande, eroverheen. Dat lukte al aardig wat maar de plooien in het handdoek begonnen na een tijdje te nijpen. Het zou tandenbijtwerk worden. Ik was nu al een half uur onderweg en voorbijgeschoten door een tiental ‘deelnemers’. Meestal vrouwen. Enkelen waren al op de terugweg over het 1 meter brede, door wrijving ontstane glanzende marmerpad. Velen hadden het echt kwaad. Bidden ononderbroken de rozenkrans. Ik heb geen rozenkrans. Vreemde eend in de bijt! Per meter afzien begon mijn achting voor deze mensen sterk te stijgen. Velen waren begeleid door familie, echtgenoot en kinderen. Aandoenlijk.
Een jong ding haalde mij in. Tijd om een geanimeerd gesprek. Eliane boos: “zwijg, dat kind bid!” Wat drijft hen en wat zit ik hier in hemelsnaam te doen? Dat volk heeft geslist geoefend aan hun parochiekerk en bij slecht weer ‘indoor’ in de kerk. Het kan niet anders. Boete doen? Ik doe geen vlieg kwaad en ben zo eerlijk als 24 karaats goud. So what!
Terug wordt ik door twee vrouwen voorbijgestoken. Ik verander van techniek. Ik probeer nu met mijn twee handen me vooruit te slepen als zit ik op een slede. Vals spel. Mag niet. Terug op de knieën.
Ik haalde de mij opgelegde eindstreep. Enkele afgeschaafde knieën en een levenservaring rijker.
De 13de
Iedere 13de van de maand is het een speciale dag. Op 13 mei 1917 (WOII) beleefden drie herderkinderen in een visioen de verschijning van de Heilige Maagd. De verschijning zou zich vijf maanden lang en wel iedere keer op de 13de herhalen. Deze Virgin de Rosario (Maagd met de Rozenkrans) vroeg de verscheurde wereld om vrede. Op 13 oktober 1917 waren 70.000 samengestroomde gelovigen getuige van de laatste verschijning. En niet alleen dat. Ondanks dat het baken oude wijven regende aanschouwden ze een natuurwonder. Plots stopte de regen en verscheen de zon als een grote vuurbal. Sommige publicaties hebben het over een snel om zij as draaiende vuurwiel dat dreigde op de wereld te vallen(…). Een stem verkondigde dat binnen een maand een speciale gebeurtenis in de wereld zou plaatsvinden (sommigen linken het aan de Oktoberrevolutie in Rusland, de wereldvrede kwam er pas met de wapenstilstand op 11 november 1918).
Voetnoten
(*) Bron: Herinneringen van Zuster Lucia. ISBN: 972-8524-66-8, Secretariado dos Pastorinhos, Fatima – Portugal 2006.
Volgens zuster Lucia in haar memoires over 13 oktober 1917: “We gingen al tamelijk vroeg van huis, rekening houdend met oponthoud onderweg. Mijn moeder, die bang was dat dit de laatste dag van mijn leven zou zijn, met haar hart verscheurd door de onzekerheid over wat er ging gebeuren, besloot met mij mee te gaan. Onderweg: de taferelen van de vorige maand, nu nog veelvoudiger en nog ontroerender. Zelfs de modder van de wegen was voor die mensen geen bezwaar om in de meest en smekende houding neer te knielen. Aangekomen in de Cova da Iria bij de steeneik, vroeg ik, door een inwendige impuls gedreven, aan de mensen of zij hun paraplu’s wilden sluiten en de rozenkrans bidden. Kort daarop zagen we de lichtstraal en vervolgens boven de steeneik Onze Lieve Vrouw.”
Hierna komt Lucia in gesprek met OLV die haar verkondigd “dat de oorlog zal eindigen en de soldaten binnenkort naar huis terug zullen keren.”
Later na het gesprek: “toen opende zij haar handen en liet ze weerkaatsen op de zon. En terwijl zij opsteeg, bleef de afglans van haar eigen licht zich projecteren op de zon.”
Verder in haar memoires: Nadat OLV in het onmetelijke uitspansel verdwenen was, zagen ze naast de zon de H. Jozef met kind en OLV in het wit gekleed met blauwe mantel. Ook verscheen Onze Lieve Heer die de wereld leek te zegenen. Ook dit visioen verdween en OLV verscheen nogmaals gekleed nu als OLV van de Karmel.
Over het derde geheim van Fatima:
De twee eerste ‘geheimen’ waren dat de kinderen een inzicht kregen in de verschrikkingen van de hel en de aankondiging van een tweede Grote Oorlog. Zuster Lucia schreef over het derde ‘geheim’ dit in een brief dat pas in 1960 geopend mocht worden: “… wordt een paus gedood, op dezelfde weg van de martelaren…”, schrijft ze. Geen verdere details. De moordaanslag op de paus gebeurde op 13 mei 1981 (let op de datum: 13 mei gebeurde de eerste verschijning). De tekst van de brief werd later aan de paus voorgelegd waarin het derde geheim profetisch verkondigd werd. Hij was dicht bij de dood geweest en zijn overlevering verklaarde hij zelf met de woorden: “Het was een moederhand die het pad van de kogel leidde en de stervende paus stopte op de drempel van de dood.”
Er zijn vele speculaties geweest over dit ‘derde geheim’. Pas op 13 mei 2000 maakte kardinaal Sodano de juiste inhoud van de brief wereldbekend.
De kogel werd later ingezet in de kroon van het OLV-beeld dat gedurende de avondlijke kaarsjesprocessie meegedragen wordt.

donderdag 6 augustus 2009

16.Portugal

PORTUGAL
Waar waren we ook weer gebleven? In Spanje. We hadden verlof genomen aan het strand van Punta Umbria. Na tien dagen vonden we ons uitgerust om het Iberische schiereiland verder te verkennen. We reden de kust af naar het uiterste westelijk deel van Andalusië.
Zeven jaar geleden was ik hier al eens om te overwinteren. Het oude gedeelte daargelaten stonden toen nog de alle te koop aangeboden vakantiehuizen in de steigers. Nu is alles volgestouwd met uniforme huizenblokken. Omdat het leuke er van af is besloten we maar meteen naar Portugal uit te wijken. We reden naar Isla Cristina en zagen het daarna al snel voor bekeken. Not our cup of tea!
Na Ayamonte reden we de brug over de Rio Guandiana - dat al sedert de Romeinen de natuurlijke landsgrens vormt tussen beide landen - Portugal binnen. Aan de eerste afslag van de A22 sloegen we richting kust in naar voluit: Vila Real de Santo Antonio de Arenilha.
Na de fameuze aardschok van 1755, dat Lissabon van de kaart veegde, kwam markies do Pompal op het idee om ook de door de zee in de 17de eeuw verzwolgen havenplaatsje in al haar glorie herboren te laten worden. Do Pompal had in de hoofdstad wat in de pap te brokkelen omdat hij betrokken werd bij de heropbouw van de Baixa. Hij kon koning José den Eersten zo gek krijgen dat gedeelten van de nieuwe urbane structuren in Lissabon zelf werd gefabriceerd. Van nummers voorzien werden de onderdelen dan per schip naar de Rio Guandiana gebracht en daar terug in elkaar geflensd. In een recordtijd van vijf maanden werd de ‘Koninklijke stad’ als bewoonbaar verklaard. De stad heeft een dambord stratenplan.
Do Pompal was een hervormer tout court. Op sociaal gebied was hij zijn tijd ver vooruit. De federale maatschappij nog niet. Hij streek vele adel en de kerk tegen de haren in. Na de dood van zijn broodheer, koning José, viel hij in ongenade en werden zijn omvormingen te niet gedaan. Wat restte en aan hem blijvend herinnert zijn de Baixa van Lissabon en Vila Real.
Ons eigenlijk doel was Monte Gordo, een deelgemeente van Vila Real aan de kust. Ook dit voorlopig slaperig vissersplaatsje heeft sedert de jaren zestig van de vorige eeuw een metamorfose ondergaan. Het fantastische goudgele strand moeten de vissers nu delen met de talrijke zonnekloppers. Op het strand zelf verrees een van de drie casino’s dat de Algarve rijk is. Ook een reusachtige parking werd op het brede strand aangelegd. Daarna volgt de ‘Paseo’ (wandelboulevard) en dan pas de nieuwbouw.
We maakten er kennis met de getaande visser Peres. Hij heeft een knalrode kleine eenmansvissersboot op het strand liggen en vist in de vroege morgen. Hij beloofde Eliane wat schelpen zo uit zee gevist mee te brengen. ’s Morgens waren we dan ook vroeg uit de veren. Vissersboten worden bij aankomst aan het strand verder het mulle zand hoger opgetrokken door een tractor. Naar onze begrippen zijn de vangsten mager. Hoe verdienen ze hu n kost? Peres was niet op het appel. Pas anderhalf uur later zagen we hem aankomen. Onophoudend hoosde hij met een stuk emmer water uit zijn schuit. Als hij uiteindelijk op het strand getrokken wordt bemerkten we een emmertje halfvol met sardientjes, geen net. Hij was weinig van zeg en overhandigd met een verontschuldiging één enkele gesloten schelp. Beloofde morgen beter.
’s Anderdaags zagen we Peres een nieuw net naar zijn boot sjouwen. Maar we zouden de nieuwe vangst niet meer meemaken. We danken hem nogmaals voor de moeite en gaven wat geld, dat hij dankbaar in ontvangt nam. Algarve is voor projectontwikkelaars een goudmijn. Vissers werden blijkbaar vergeten eraan mee te profiteren.
Algarve had een verzandingprobleem. Zandbanken die zich voor de Oostkust vormden versperden de toegang naar de kust. De havens slipten dicht. Met het massatoerisme brak er een gouden tijd aan. De kleine typische vissershuisjes verdwenen in de schaduw van de flats. De kustplaatsen breidde zich razend snel uit en enkel de typische sierlijke schoorstenen bleven als handelsmerk herinneren aan Algarve op de nieuwbouw. Oorspronkelijk werden de schouwen gesneden uit boomstammen, later vervaardigd in keramiek, nu in beton.
www.visitalgarve.pt
Omdat ondanks een frisse zeebries we op de parking stonden gaar te koken besloten we het koeler noorden van Portugal op te zoeken. Onze keus viel op de Costa de Prata, 100 km ten noorden van Lissabon (Estremadura).
We namen maar meteen de auto-estradas (A22, A2, A13 en A8) en stoomden in een ruk naar S.Marinho de Porto en van daaruit de N242 naar Nazaré. Totaal betaald we aan portagem (péages) €44,92. Daarmee stonden we in enkele uren tijd in een milder klimaat vergelijkbaar met een zomers weertje van de Noordzeekust (387 km van Faro).
Nazaré
Nazaré wordt aan de toeristen verkocht als een origineel visserplaatsje, wat naar onze smaak fel overdreven is. Visserij wordt allang niet meer op de originele manier van op het strand bedreven. Een kunstmatige haven aan de zuidkant heeft ook hier het vissersleven grondig gemoderniseerd. Het badplaatsje in de zomermaanden overvol met vakantiegangers en eendagtoeristen uit Lissabon. Oude vrouwen nog plusminus in dracht - de weduwen herkenbaar in het zwart - lopen, zitten, staan, babbelen steeds met een bordje in de hand waarmee ze kennis geven ‘Alojamento Particular’ (kamers) te verhuren.
De nauwe straatjes, die haaks uitlopen op de kust stikken van de visrestaurants. Wat dan ook in de binnenstad een sterke sardienengeur meegeeft. Het strand zelf bestaat uit ruw grintzand, dat naarmate vanaf de zeelijn fijner en witter wordt naar de dijk toe wegens opwaaiing.
Aan de noordkant is een tandradbaan dat je voor €0,90 de klippen omhoog tilt naar de wijk Sitio. Daarmee we dan ook zij beland aan ons rantsoen legendes!
Op een mistige morgen in 1182 galoppeerde de edelman Dom Fuas Roupinho te paard een hert achterna. Het zou de duivel geweest zijn die plots van de rots afsprong. De edelman kon nog tijdig de Heilige Maagd aanroepen op het ogenblik dat de voorpoten van zijn paard al in de ijle lucht zweefden. De H. Maagd zette snel de versnelling van het paard in achteruit en man en paard waren gered van een gewisse dood. Als dank voor die snelle interventie werd een kapel opgericht. De ‘Santuario de Ns. Sra. da Nazaré’ (1182).
Detail: aan het kleine ‘Ermida da Memoria’ herinnert een stenen kruis ons eraan dat hier Vasco da Gama op bedevaart kwam voordat hij de reis naar India aanving.
De oorspronkelijke Santuario werd een dubbeltorenkerk. Na de bedevaarders kwamen de toeristen. Nu is het op het kerkplein een drukke doening van souvenirshops, restaurants, enz. Er is ook plaats voor tourbussen die dankbaar wordt gedeeld met zwerfwagenbezitters (bruine richtingsaanwijzer ‘Farol de Nazaré’ volgen).
Costa de Prata
De ‘Zilverkust’: We vervolgden onze weg noord. Nu aan de kustweg (Estrado Atlantico) die door torenhoge zandduinen en sparrenbossen loopt. Het is een mooie asfaltroute met rood gekleurd fietspad/wandelpad ernaast. Afslagen leidden naar de lagere gelegen kleine Praia (badplaatsen).
Het bos: Pinhal de Leiria is het grootste van Portugal. Het werd door de Cisterciënzers aangeplant in de 11de eeuw op bevel van koning Dinis ter bescherming van de vallei van Alcobaça tegen de opdringerige wandelende duinen. De sterke westenwind blaast (nog steeds) het stuifzand op waardoor op sommige plaatsen de duintoppen meer dan 10 meter hoogten bereiken.
Na een tijd sloegen we een verharde zandbaan in naar een strand. Het stond niet op de kaart aangegeven en we kwamen er pas ’s anderdaags achter dat de plek ‘Pria de Polvoeira’ hete. Het werd mistig en kil. Toch verhinderde het niet dat in de namiddag honderden auto’s met badgasten kwamen aangezwierd, de nodige stofwolken veroorzakend om toch maar tijdig een plaatsje zo dicht mogelijk aan het gele zand te veroveren. In een mum van tijd waren we ingesloten. We besloten dan ook maar ter plaatse te overnachten. Gedurende de avond kregen we gezelschap van nog acht motorhomes, bijna allemaal Fransen. Het valt op: Portugal is ‘in’ bij onze zuiderburen. In tegenstelling tot de Spanjaarden zijn de Portugezen meestal meertalig en… een stuk vriendelijker van aard dan haar stugge geburen.
Coordinatie GPS Nazaré: N 39.601257, W 9. 073677.
www.rt.leiriafatima.pt

woensdag 29 juli 2009

15.Door Spanje

Door Spanje
In volle zomer door Centraal Spanje rijden is moordend. De temperaturen zijn er constant boven de 30°C. Wij hadden uitschieters van 35° tot 40°C.
Verloren
Toen we nog in de Pyreneeën waren werd er in de aangrenzende NP Ordesa een vrouw vermist. Later lazen we in Het Laatste Nieuws (gedrukt in Barcelona) dat de 61-jarige Française Thérèse Bordais na elf dagen, zonder eten en drinken, door reddingsbrigades werd gevonden. Ze hadden er ruim een week met helikopters en honden naar gezocht. Ze werd ontdekt aan de voet van een kloof waar ze haar rode T-shirt op de grond had uitgespreid om de aandacht te trekken (www.mma.es/parques).
De koele Pyreneeën verwisselden we dan ook met weemoed voor de oververhitte oven van het Iberische binnenland. Het was nog een hele toer om vanuit het NP Aigüestortes door haarspeldbochten en een paternosters aan tunnels naar de ‘vlaktes’ te rijden. Inderdaad, Spanje Interrior is alles behalve poldervlak. Een stofferig, dor en verbrokkeld landschap. Goed voor het opnemen van spaghettiwesterns. Pas aan de provinciale hoofdstad Lleida (Lérida, www.lleidatur.com) was er door irrigatie wat groen voor de fruitteelt te bespeuren. In Mequinenza, waar de Ebro met haar bijrivieren wordt opgevangen tot een stuwmeer, zouden we wat koelte aan het water onder de schaduw van sparrenbomen kunnen opzoeken.
Het stuwmeer is tevens een grote visvijver. En dat er wat te vangen valt? Toen we er waren kreeg de 11-jarige Britse Jessica Wanstall een klepper van 2 meter groot en 90 kilo zware meerval aan de lijn. Die trok haar zo hard richting het water dat haar vader haar moest vastgrijpen. Twintig minuten lang leverde het duo een hevig gevecht. Uiteindelijk werden hun inspanningen beloond. Na een foto genomen te hebben werd de vis terug in het water geworpen.
In Alcaniz sloegen we de N232 in richting kust. Daarvoor moesten we over de bergketen ‘El Maestrat’. Langsheen de baan stond aangegeven dat er een speciale parking voor zwerfauto’s was. We besloten er te overnachten maar misreden ons en kwamen bovenop de parking van het kasteel, annex middeleeuwse stad Morella terecht (www.morella.net). Toen brak er een hevige storm uit en we schommelden met onze zwerfwagen, duizendmeter hoog, gevaarlijk heen en weer. We stonden onder een treurwilg dat onze auto gevaarlijk met haar lange takken begon te geselen. Een andere boom zag het niet meer zitten en gaf de geest in dit windgeweld. Ze kraakte af en kwam naast een geparkeerde auto terecht. Wij besloten een eindje op te schuiven naar een plaats waar al enkele bomen met de wind de bergaf waren meegereisd. Kon er zo al geen meer op ons dak terecht komen. De berg terug afrijden vonden we geen opzie wegens te gevaarlijk met die rukwinden.
’s Morgens was het wind wat gaan liggen en we vervolgden onze weg. Na nog de Puerto Toro Miro - een col van 1.204 m hoog - overgestoken te hebben, waren we over ons hoogtepunt heen en was het nog een lange haarspeldbochtige afdaling naar de kust, waar we in het plaatsje Vinaros konden pootje baden in de Middellandse zee (www.vinaros.org/turismo, www.comunitatvalenciana.com).
Valencia
We hadden besloten Valencia te bezoeken. Vooreerst omdat het voor mij de thuishaven was geweest van de Rederij Hermans uit Brugge. We verscheepten toen sinaasappelen naar Ierland. Van het centraal in de stad gelegen haventje El Grau schoot niet veel meer herkenbaars over. Het werd sterk gerenoveerd toen de finale van 32ste America’n Cup in 2007 hier haar finale beslissing uitvocht. In haar 152-jarige geschiedenis werd door twaalf teams voor de eerste maal in Europa gevaren. Auckland had toen aan de race 300 miljoen dollars verdient.
Een sciencefictionstad
De sinaasappelstad had eerder al wat aardige prestige plannen tot verbouwingkoorts. Van het oude havenkwartier vond ik niets meer terug. Volledig gesloopt om brede lanen en nieuwbouw toe te laten. Ook de brede stroom - de Turia – dat Valencia in twee delen sneed was omgeleid langs de zuidkant van de stad. In de drooggevallen bedding legde men een kilometers lang park aan (Jardines de Turia). De Valenciaanse bruggenbouwer Santiago Calatrava kreeg opdracht eroverheen een speciale in het oog springende brug te bouwen. Dit project viel zo goed mee dat hij ook maar zijn gang mocht gaan de rivierbedding vol te stuwen met spraakmakende gebouwen. Geld speelde geen rol. Het resultaat is Ciudad las Artes y las Ciencias (Kunst- en Wetenschapsstad: www.cac.es). Het is ongelooflijk wat die Spanjaarden hier voort elkaar hebben gebokst. Honderden miljoenen euro’s werden gepompt in de architecturale prestigeprojecten. We keken onze ogen uit onze kop. (www.turisvalencia.es. Voor de feestelijkheden en zeker de niet te missen de Fallas: www.lokalefestiviteiten.com, www.fallas.com).
Andalusia
Granada met zijn fameuze Alhambra reden we voorbij. Dit bezochten we al eens toen de Vlamingen aan de Belgische kust nog Frans spraken!
We doorkliefden de indrukwekkende nog besneeuwde bergketen van de Sierra Nevada met zijn grillige rotsformaties. Talrijke borden verwezen naar nationale parken en we schoven over de Puerto de la Mora (1.380 m) waar tal van opsleepwagen de overladen auto’s van Poldermarokkanen moesten wegslepen met verhitte radiatoren. Het eigenaardige dat ons is bijgebleven is dat Marokkanen ook hun matras meenemen naar het land van oorsprong. Slapen ze daar op de grond? Een in Nederland geregistreerde auto met caravan bleef ook aan de weg staan, wachtend tot er hulp kwam opdagen.
In de buurt van Benalde de Guadix passeerden we ook talrijke rotswoningen die bewoond bleken. Lekker fris in de zomer en warm in de winter. Maar hoe zit dat dan met de grondbelasting? Duizend vragen, weinig antwoorden.
Naar Portugal
Ons einddoel was eigenlijk de Portugese Algarve. We volgden nu de ‘Autovia de Mediterraneo’: A7, A92 naar Sevilla en de A49 die ons naar de grens zou leidden. Tweemaal werd er in de broeihitte op het terrein van een TIR- dito benzinestation overnacht.
Op de laatste truckerparking werden we gewekt door het gekwetter van duizenden spreeuwen. Ze hadden zich de avond voordien als een zwarte verenwolk massaal in de schaarse bomen laten neerstuiken.
De eentonigheid van de baan werd onderbroken door de uitgestrektheid van de olijfplantages in witte kalkgrond. Het enigste dat hier blijkbaar wortel schiet.
De doortocht in Sevilla verliep niet naar wens. Slecht aangeduide (of het gemis ervan) verkeersborden en de onhoffelijkheid van de Spaanse chauffeurs, die je nooit de kans geven van richting te laten veranderen, was oorzaak dat we een gedeelte van de Andalusische stad bezochten wat we niet wensten.
Romeria
Toch zouden we Spanje bijlange nog niet verlaten. We verlieten de hoofdbaan aan de wegaanduiding E1/A483. Deze weg bracht ons in het NP van Donana, een uitgestrekt natuurgebied ten zuiden van de Guadalquivir. De bedoeling van mij was hier Eliane met een speciaal bedevaartsoord te laten kennis maken. De straten zijn niet geplaveid maar bestaan enkel als origineel uit duinzand. In El Rocio wordt Ntra. Sra. del Rocoi de Pastora aangebeden (el oracion). De Romeria (de bedevaart) heeft steeds plaats op Pinksterzondag (voor 2010 is dit 23 mei), maar het feest wordt verspreidt over enkele dagen. Het trekt een massa volk.
Websites: www.donanavisitas.com, www.donana.es, www.incentivosdonana.net en www.donana.nature.com.
Costa de la Luz (lichtkust)
Nu dat we er tocht waren zochten we ons een verfrissend plekje uit aan de Golf van Cadiz, de Atlantische Oceaan. Het nationaal park aan zee zelf is begrensd door twee badplaatsen: Matalascanas ten zuidoosten en Mazagon noordwest. De lange ‘kustweg’ daartussen heeft weinig toegang tot het strand. De twee steden is niet te doen. In de zomer te druk. Wel ontwaarden we enkele richtingsborden naar campings en één parador. Maar ik wist beter. We reden voorbij de chemische- en raffinaderijen naar Huelva (www.turismohuelva.org) en sloegen daar terug de weg in naar zee (A497). Bestemming was nu Punta Umbria. Tot onze verassing bestond het klandizie hier overwegend uit Spanjaarden, weinig of geen andere nationaliteiten en geen Benidormse toestanden. We vonden plaats aan het uiterste punt aan het strand met zicht op de Ria van de rivieren Odiel en Tinto (zie hieronder).
Omdat we ons er direct thuis voelden - breed fijn zanderig strand, bloedmooie meisjes en stoere gebruinde jongens (kitesurfers) - besloten we ook hier maar vakantie te nemen. De frisse zeebries had wel eerlijk gezegd de doorslag gegeven. Voor Eliane de duizenden schelpen die wachtten om opgeraapt te worden!
Op 3 augustus in 1492 zag men van hieruit ook drie karvelen de zee inzeilden. Aan boord admiraal Cristobal Colon (Columbus), die op zoek ging naar een kortere weg naar Los Indios. Ook Cortes vertrok van hieruit, maar met minder vreedzame bedoelingen.
De goudkoorts van de conquistadores was oorzaak van de ongecontroleerde boskap voor de scheepsbouw, waardoor Spanje nu nog met de gevolgen zit opgescheept.
*******
Info voor zwerfautobezitters.
Op het uiterste punt van Punta Umbria is een harde roodzanderige parking (Paseo Maritimo de la Canaleta). Je betaald aan een ticketverkoper 1 euro (voor een goede sociaal doel (*) om er de ganse dag te mogen staan. Je staat er half in de duinen begrensd door de Ria (riviermond) met jachthavens en fijn breed zandstrand. Geen kwallen. Het strand is ingedeeld in een gedeelte voor kitesurfers en zwemmers. Er zijn kosteloos stranddouches en propere wc’s voorzien voor mindervalide badgasten (toiletmadam steeds aanwezig). Zwerfvuil op het strand en in de duinen word door gemeentewerklieden opgeruimd. Ook een strandkuismachine is ’s morgens aan het werk. De bakker komt tweemaal daags langs (10 en 20 uur). Supermarkt aan de toegang tot de badstad. Op het strand beachbars en -restaurants: Paëlla mix voor twee €9 elk, Paëlla marisco’s (schelpdieren) €10. Koffie, frisdrank en tapbier €1,50.
(*) Contribuya a una buena obra social: Pidalo Siempte.)
Algemeen
Spanje algemeen: www.spain.info, www.spaansverkeersbureau.nl.
Wist je dat in de Val d’Aran, zoals België met haar Duitstalige kantons, officieel drie talig is? Catalaans, Castilliaans (Spaans) en Aronees.
Motorhome in het Catalaans is autocaravane, in het Castilliaans: autocaravana en in het Catalaans-Engels: campervan.
© www.camperreiswegwijzer.com

14 Pyreneeën

De Pyreneeën
Je leeft maar één keer en het is niet nodig de onnozelaar uit te hangen en te eindigen als een kamikaze, daar heeft niemand wat aan, was de les dat we leerden in Albanië (*).
Albanezen gaan in eerste versnelling in een rustig tempo een steile berghelling af. Als remolie gebruiken ze ‘Ecool’, een olie dat hoge temperaturen verdraagt. Voor de rest laten ze de zwaartekracht gratis haar werk doen.
Een dag later, nadat circus Tour de Franse over de top van de Tourmalet (1.115 m) was gezwoegd, deden we de lange bochtige afdaling ook op onze sokken. Voor sommige chauffeurs gaat het inderdaad nooit snel genoeg en schoten, waaronder grote motorhomes, ons met ware doodsverachting voorbij de berghelling af. Het skioord La Mongie daargelaten is het toch 16 kilometer scherp dalen tot aan het eerste teken van beschaving in Ste-Marie-de-Campan (850 m). Van daaraf kon het veiliger in tweede tot in het thermale badplaatsje Bagnères-de-Bigorre, waar we een zachte landing deden (www.bagneresdebigorre-lamongie.com). Toch nog altijd goed voor een hoogte van 550 meter. Voor we de stad bereikten hadden we de fameuze Grotten van Médous gepasseerd.
De legende van de Pyreneeën
Pyrène was de bloedmooie dochter van Bébrycius, koning van de Iberianen die op twee ruggen van de huidige Pyreneeën leefde. Het meisje werd aangebeden door Héraclès. Op een keer was hij gast ten huize van… en na een dronken bui verkrachte hij het arme kind.
Op het einde van haar dracht baarde Pyrène een monster: een hydra met zeven koppen. Ze durfde haar vader niet in vertrouwen te nemen en vluchtte de bergen in waar ze verslonden werd door wilde beesten.
Toen Héraclès dit vernam was hij troosteloos en berouwvol. Hij gaf de naam van haar aan de bergen. Daarna trok hij er op uit om het monster, dat hijzelf verwekt had, te doden.
Frankrijk viert feest
We vierden ‘Quatorze Juillet’, Frankrijk’s nationale feestdag, mee in Bagnères. ’s Morgens was er een officiële optocht naar het oorlogsmonument van ‘Nos enfants’ van 1914-18. Europa had toen de bloei van zijn jeugd glorieus laten afslachten in een zinloze oorlog. Door de sous prefect werd een stokoude veteraan gedecoreerd, bloemen aan het monument gelegd en als slot het liedje dat onze minister Leterme zo goed kon zingen, gespeeld door de plaatselijke fanfare. Geen toespraken. ’s Avond vuurwerk en bal populaire op de Place Coustous.
Val ‘Aran
We besloten af te reizen naar Spanje.
Verzadigd van het eeuwige gedraai in de haarspeldbochten besloten we de gemakkelijkere weg across the hill, van Montejeau naar Lleida, te nemen (D33, N125 dewelke aan de grens in Spanje N230 wordt). Daarvoor moet je wel door een lange tunnel dat geboord werd tussen de bergpieken van de Maladeta (Pico de Aneto van 3.408 m en aan de andere kant 2645 meter van de Tuc de Sarrahèra in het nationale Park van Aigüestortes).
In Vielha sloegen we de zijweg in (C28) naar het plaatsje Arties waar we ten anker gingen op camping ‘Era Yerla’ (www.aranweb.comp/yerla ).
De plundering
Hafweg de jaren ’30 van de vorige eeuw stonden er op de kade van Barcelona een partij kisten. Ze waren geadresseerd aan de krantentycoon Randolph Hearts. Zoals veel nieuw rijke Amerikanen was Hearts dol op oud Europese kunst. Romeinse zuilen, Grieks aardewerk en antieke renaissance meubelen werden door antiquairs opgekocht in het naoorlogs verarmde Europa. Alles bleek te koop voor harde dollars. De kisten in Barcelona bevatten de complete Romaanse kloostergang uit La Seu d’Urgell ingepakt in rieten matten. Alle stenen waren genummerd om terug opgezet te worden in zijn San Simeon Castle in San Francisco.
Toen kwam de Grote Depressie. Door financiële problemen moest Hearts de bouw van zijn sprookjespaleis stop zetten. De kloostergang bleef op de kade staan tot Franco aan de macht kwam. Voortaan werd verboden nog Spaanse patrimonium te versjacheren aan buitenlanders. De kloostergang kreeg terug haar oorspronkelijke plaats aan de kathedraal van La Seu d’Urgell.
Cadafalch
De rooftochten in de Vall d’Aran begonnen nadat Josep Puig i Cadafalch (1867-1956), architect en historicus uit Barcelona, in 1907 een wetenschappelijke expeditie leidde. Dit gebeurde voor rekening van het instituut ‘d’Estudis Catalan’. Met nog twee collega’s trokken ze er op uit tot het herontdekken van de Romaanse erfgoed. Gewapend met cameramateriaal werd te voet en met pakezels de bagage en tenten de bergen overtrokken naar de afgelegen bergdorpen. Hij fotografeerde de Romaanse kerkjes met hun kerkschatten, publiceerde het in illustrerende tijdschriften en maakte er zelf een boek over: L’arquitectura Romanica a Cataluya.
Wegen waren toe onbestaande en het was een waren expeditie geweest om het gebied, de Alta Ribagorça, te betreden. Nu zijn deze gebieden opengesteld voor het grote publiek. Zeker sinds de Spaanse Koninklijke familie het skioord Sankt Moritz verving voor eigen streek. Ze lieten er een chalet bouwen en de rest van de paleiskudde volgde.
Nu zijn er tunnels geboord door de rotsen. De langste zoals vermeld: tussen Vielha en Vilaller.


In Vall de Boï bezochten we zelf de Romaanse kerkjes waaronder het meest bekende van Boï: San Climent de Taüll (11de eeuw, evenals de andere kerkjes erkend door de Unesco sedert 30 november 2000 en enkel open om 11uur). Het is een nijdige haarspeldbochtige klim naar boven. Je vraag je toch af waarom die kerkjes altijd op zo’n onbereikbare plaats moesten staan!
Uiteraard kwam de erkenning veel te laat. Muurschilderingen (fresco’s) werden gedemonteerd. Kalle kerkmuren bleven over. Deze techniek noemt men ‘strappo’. Gelukkig worden nu de originele muurschilderingen (fresco’s) bewaard in het museum van Catalaanse kunst in Barcelona. Er zijn afdelingen speciaal aan deze Pyrenese Romaanse kerkjes gewijd, zodat je niet halsbrekende toeren moet gaan uithalen in de bergen. Ter plaatse zijn het kopieën. Voor de reumapatiënten onder ons is er op het einde van het dal een spa: Caldes de Boï. Twee hotels voorzien de patiënten met alles erop en eraan. Ze hebben hun ontstaan te danken aan plaatselijke warmwaterbronnen.
De tweede overnachting deden we niet in het peperdure kuuroord maar een eindje terug bergafwaarts tussen Barruera en Cardet aan de Riu la Noguera de Tor, een snelstromende bergrivier wat rest van een reusachtige gletsjer waardoor het dal ontstond door uitschuring.
Websites: www.catalunyaturismo.com. Romaans erfgoed: www.vallboi.com, www.aran.org. Natuur excursies: www.lapetjada.com, www.ajuntamentdetremp.com/terreta/
Nationaal Park van Aigüestortes (www.esenciapireneos.com, www.torismearan.org, www.mma.es/parques. Espot Visitors Centre: www.mma.es)
(*)© www.camperreiswegwijzer.com: Zwerven in de Balkan zie hoofdstuk over Albanië.

maandag 20 juli 2009

13. Santiago

SANTIAGO
In Le Puy-en-Velay komen alle pelgrims vanuit Oost-Europa samen. Ze zijn van andere backpackers te onderscheiden aan een St. Jacobsschelp dat ze zichtbaar meedragen. Het zwelgt hier sterk aan met andere Europeanen waaronder de Fransen het leeuwenaandeel opeisen.
De weg loopt over de hoogten van het Massif Central naar de Pyreneeën, waar in St. Jean-Pied-de-Port twee andere hoofdwegen samenkomen, n.l vanuit Parijs-Tours en Vézelay voor de Noord-Europeanen, waarbij ook België en Nederland behoren. De Zuidoost-Europeanen waaronder de Balkan en de Italianen steken via de Arlesweg zo door de ‘Col du Somport’, de Pyreneeën over naar het Spaanse Oloron en Jaca.
De Grote Samenkomst wordt dan het Spaanse Puento de la Reina. Van hieruit begint de eigenlijke Camino Francès (de Franse weg), de boulevard der pelgrims (www.chemindecompostelle.co). Deze weg is tevens het ruggenmerg van de talrijke Spaanse camino’s die als ribben op de ruggraad aansluiten. Deze ‘ribbenaanwas’ groeit naarmate men het einddoel nadert. Ook vanuit Portugal sluiten zich pelgrimswegen aan.
Camino Francès
In 1999 deed ik al de ‘Camino Francès’ vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port over de Pyreneeën naar Pamplona. De totale afstand naar Santiago was 750 kilometer. Tien jaar later wilden we het nogmaals overdoen. Nu vanuit Le Puy: nu is de totale afstand 1.600 kilometer.
Het eerste deel van deze Franse pelgrimsweg: ‘la Via Podiensis’, loopt (om er maar enkele te noemen): over Montbonnet, Saugues, St.Alban-sur-Limagriole, Nasbinals, Espalion, Estaing, Conques, Figeac en Cahors. We doorkruisten de departementen: Haute-Loire, Lozère, Aveyron en Lot.
In Floirac komen de Santiagowegen: ‘Via Bourbonnais – Auverne’ en de ‘Via Lemovicensis’ samen. In Cahors is het onze toer deze te vervoegen. In Ostaban, aan de voet van de Pyreneeën, komen Tours en Vezelay ons gezelschap houden. Dat zijn voorlopig zowat de voornaamste Franse routes. Voor we zover zijn zullen er nog veel kleinere aansluiten. En in Saint-Jean-Pied-de-Port wordt het een mengelmoes van niet alleen Europese nationaliteiten maar ook pelgrims van andere werelddelen tot Japanners toe.
(Saint-Jean is het laatste stopplaats waar je ook met de trein heen kunt.)
De geboorte van een pelgrimstocht
Het draait allemaal rond de figuur van Sint Jacob, een van de twaalf apostels. De Fransen hebben het over Saint Jacques le Majeur. Er liep ergens ook nog een Jacques le Mineur rond! De Spanjaarden noemen hem: San Tiango el Matamoros (later hier meer over).
Hij was de zoon van Zébédée en Salomè, broer van de evangelist Sint Jan. Zoals Jezus van geboorte uit Galilea en vermoordt op 44 jarige leeftijd, als martelaar in Jeruzalem.
Na de dood van zijn leermeester was hij naar Spanje getrokken om het evangelie te verkondigen. Hier wordt het verhaal niet heel duidelijk. Er zijn verschillende versies van in omloop. Maar ik moet wat schrijven dus doe ik mijn best!
De ontdekking van zijn graf
We zijn al in het jaar 813. Pélage, was een kluizenaar en het werd ook nog bevestigd door anderen, die beweerden onverklaarbare verschijnsels in de lucht waargenomen te hebben. De plaatselijke bisschop Théodomir werd op de hoogte gebracht en ook hij zag iets raars met sterren gebeuren. Van vliegende schotels was nog geen spraken en marsmannetjes lieten nog niet rond, moest het dus wel een teken van de hemel zijn. Zoals bij de geboorte van Jezus “toonde de sterren” ook een plaats aan waar iets gezocht moest worden. Men vond een marmeren sarcofaag met drie menselijke resten. De Theo had een droom. Het moest het graf van de apostel Jacob zijn. Zeker weten! De twee ander lichamen? Wel, van Athanase en Théodore, zijn twee discipelen die hem met een bootje vanuit het Heilige Land naar Padron brachten en later met de ossenwagen naar deze plek. Er kwam volk op af van zodra het wonder wereldkundig gemaakt werd. Men overnachte in tenten. Compostela betekend dan ook Sterrenkamp (Campus Stellae). Er werd een kapel gebouwd op de plaats waar in de oudheid al een oppidum en heiligdom was. Het kwam ter ore van koning Alphose II die zijn baas, Charlemagne, van deze belangrijke ontdekking op de hoogte bracht.
Le Puy-en-Velay
Het beloofd, we zijn al buiten adem als we de steile straatjes naar de kathedraal opklauteren. We zijn meteen gewaarschuwd. Deze Franse weg is niet voor doetjes. In het Kathedraal van de Zwarte Maagd is de elfurenmis in volle gang. We moeten wachten op het einde om in de sacristie onze ‘Créanciale’ te verkrijgen (€5). Deze is een ‘recommande’ (aanbeveling) uitgereikt door de bisschop en nodig om de nodige stempeltjes gedurende onze tocht te verwerven.
In de 18de eeuw moest men van de
parochiepastoor een certificaat meekrijgen
dat je wel degelijk gedoopt was en het door
de politie laten wettigen.
82 meter hoog, boven een vulkanische rots, staat de kapel van de heilige Michel d’Aiguilhe (www.rochersaintmichel.fr). Hij werd opgetrokken ter herinnering van de terugkeer van bisschop Godescale (of Gothescalk) van zijn pelgrimstocht naar Compostela in 951. Dat is dan zowat de officiële datum van het ontstaan van deze pelgrimstocht.
Startten doen de pelgrims officieel op Place du Plot (www.ot-lepuyenvelay.fr), en lopen zo de Rue St. Jacques uit richting Monistrat d’Allier. De bewegwijzerei is een wit-rode verfstreek op bomen, rotsen en zoek het zelf maar uit. De Via Podiensis – door de Unesco geklasseerd als wereld erfgoed en ‘Premier Itinéraire Culturel du Conseil de l’ Europe - is gelijklopend met de Grande Randonnée 65 (GR65). Daarvan bestaan boeken. Eerst hadden we de verkeerde koop gesloten. Een boek: ‘Miam Miam Dodo’ (Les Editions du Vieux Crayon) geeft wel plannen van de etappes maar geen reisbeschrijving. Wel overnachtingplaatsen welke naar onze portemonnee nogal prijzig zijn (*). Maar wij slapen en eten in onze zwerfwagen. Anders is het niet te doen. Franse pelgrims dat we spraken doen het met stukjes en beetjes. Per jaar naar keuze, verlof en de stand van de financiën, doen ze afstanden van 100 à 300 kilometer. De mogelijkheid bestaat om je reis volledig te laten organiseren. Dan wordt de bagage naar we volgende overnachtingplaats gebracht. Voor degene die hun auto niet kunnen missen rijden speciale taxi’s je terug naar de startplaats waar je uw auto kunt ophalen. Te gek! Alle formules zijn bespreekbaar. Zo kom je er tenslotte ook. Wij doen het op een andere manier. Gelovigen moeten de tocht ineens afhaspelen met al hun houden en hebben op de bult. Dat zijn de harden. Wij zijn de soffies en combineren. Enkele etappes en dan een break met sightseeing. Zo onderbroken we onze tocht de eerste maal in Nabinals om de Gorges de Tarn en Montpellier-le-Vieux te gaan rondneuzen. We sloten terug aan bij de kudde in Espalion. Eliane rijdt de wagen naar het volgende dorp, ik kom te voet achter. Geen probleem met het torsen van bagage, het zoeken naar onderdak en de koffie staat altijd bruin klaar. Ik Spanje had ik op onze vorige trip dan ook den naam van ‘Peregrino de luxe’ (luxepelgrim) verworven.
(*) Een betere uitgave lijkt me de driedelige TopGuides reeks van FFRandonée: Le Puy-Figeac, Figeac-Moissac en Moissac-Roncevaux).
Espalion
Espalion (www.tourisme-espalion.fr) is een typisch Frans zuiders dorpje met een Pont-Vieux (1.060). Deze heeft een scherpe top wat ze een ezelsrug noemen. Enkel toegankelijk om met een ezel met kar de Lotrivier over te steken. Auto’s bestonden toen nog niet en al zou je het riskeren met je wagen je zou er bovenop blijven balanceren met de wielen van de grond. Maar je bent geen ezel, dus neem je verstandig de nieuwe horizontale brug ernaast.
Wist je dat het duikerspak hier 200 kilometer van zee uitgevonden werd? Een zekere Rouquaroi ontwierp een luchtdicht pak met op de rug een fles met samengeperste lucht om de reddingsbrigade van de mijnen te plezieren bij hun werkzaamheden. Enkele jaren later kwam Denayrouze, een marine officier, op het lumineuze idee het te verbeteren om ook ermee in zee te plonzen. Jules Verne zou het later in zijn boek: ‘20.000 mijlen onder zee’ verwerken.
Estaing
We volgden nu de Lot richting Estaing. Een klein pittoresk plaatsje en altijd een resem foto’s waar van zijn hoog opgetrokken kasteel met kerk. Het toerisme bureau was gesloten (12-14h) en ik kreeg mijn stempeltje in de vlakbij gelegen auberge de pèlerin (www.nord-aveyron.com).
Conques
Het dorpje van deze stad heeft een fameuze abdij gewijd aan Sainte Foy (Agnes). Naast een erkenning van le Grands Sites de Midi-Pyrenées, staat het ook nog op de lijsten van ‘Les plus beaux villages de France’ en Unesco. Natuurlijk is het dan ook een verplichte stopplaats voor de pelgrims. We betalen 3€ (9-18h) op de parking. Alleen het waterpas staan is in dit berglandschap altijd een probleem (kwestie van niet uit ons bed te rollen). Het lukte (www.conques.fr).
De Abdij is een van de weinigen in haar originele staat dat niet door oorlogsgeweld werd aangetast. Alleen de Hugenoten waren evens langs geweest en hadden brand gesticht.
In het klooster is de schatkamer waar de relieken van de H. Pepin en de H. Foy in een gouden relikwiehouder bewaard worden (volwassen €6,50 entree).
Uniek en ook ongeschonden is de timpaan van de kerk. Het draagt nog de sporen van vroegere beschilderingen. Een witte pater gaf een gedetailleerde uitleg van de figuren die er op voorkomen. Een middeleeuwse bijbel voor ongeletterde. Voor een van deze afbeeldingen had hij een vrijwilliger nodig. Zijn keuzen viel op mij! Dat, omdat ik een baard heb. Het stelde de bisschop voor die een gekroonde man met baard, Charlemagne, bij de hand rondleidde. De pater nam mijn hand, als voorgesteld op het timpaan, en wandelde met me een rondje voor een publiek van oude vrouwtjes. Het oorverdovende rechtstaande applaus erna werd door mij in dank aanvaard.
De Bijbelse voorstellingen op het timpaan van het Laatste Oordeel zijn nogal angstaanjagend. De middeleeuwse mens moest op zijn bord angst aangeboden worden voor het hiernamaals. Godvruchtig leven was de boodschap. De pater wist zijn publiek ludiek te onderhouden. Zo wees hij de in steen afbeelding van een stroper aan dat gebonden aan een stok gedragen door twee gestroopte konijnen boven een vuur werd geroosterde.
Ook een bisschop met drie vrouwelijke gezelschapsdames, altijd nuttig om te assisteren bij het angelus en s’ nachts zijn voeten te warmen, wachtte een warmer onthaald in de hel.
Het vagevuur, daar had hij ook al een uitleg voor. Hij vroeg aan het publiek de hand op te steken wie gezondigd had. Niemand. Wie niet gezondigd had. Ook niemand. Twijfelgeval. Deze gingen volgens hem dan maar naar het vagevuur tot er klaarheid in de zaak kwam. De duivel is overal. Ook als je hem niet verwacht. “Kijk,” hij wees daarbij naar het nok van een huis “daar zit hij!” Iedereen draaide zich om en tuurde zich scheel. Niets te zien natuurlijk maar de pater was er wel vandoor met de sachosse van een vrouwtje. Niemand had er eg in gehad, zo snel had hij het gelapt.
Figeac
We bleven drie nachten in Conques, kwestie om ons wat op te integreren aan de religieuze wereld. Het vagevuur, weet je? Wat niet baat niet schaad! Je weet maar nooit waarvoor het goed is. Daarna verplaatsten we ons dan naar de volgende bestemming: Figeac (www.lot.fr, www.tourisme-figeac.com).
We waren nu ook al goed doorgedrongen bij de Franse Catalanen. De taal die hier in het vroeger Franse Zuidwesten gesproken werd was het occitaans. Een voorbeeldje: ‘une petite rue’ in het occitaans was ‘carrerot’, wat al meer op het Spaanse ‘carretera’ lijkt. We naderende de Pyreneeën.
Het kleine centrum van Figeac is typisch middeleeuws bewaard gebleven. Of toch zo onderhouden. Op het parkeerplein aan de kerk staat er een obelisk met Egyptische hiëroglyfen. Het stadje is voornamelijk bekend door de op 23 december 1790 hier geboren Jean François Champollion. Hij was het die het Egyptische schrift ontcijferde. Natuurlijk is er een museum aan gewijd. Op de binnenkoer ligt een vergrote kopij van de zwarte Rosetta steen (Ecritures du Monde) waarop, naast de Egyptische hiëroglyfen, een vertaling in het Grieks en Latijn staan uitgebeiteld.
Cajarc
In het plaatje Cajarc verlieten we even het pelgrimsparcours om de Gorge de Lot te verkennen. Her eerste gedacht was naar Rocamadour (www.rocamadour.com) te rijden maar uiteindelijk kozen we voor het dichter bijgelegen St.Cirq-Lapopie (www.saint-cirqlapopie.com). Rocamadour hadden we al in een vorige reis verkend, St.Cirq (op onze toeristische folder genoteerd als Frankrijk’s mooiste stad) nog niet. De kronkelweg erheen passeerden we een dorp waarvan de huizen gevaarlijk boven de klippen stonden te balanceren. De doortocht in het plaatsje Latoulzamie (D662) zijn de huizen half in de rotsmuur opgetrokken. Zo spaar je ook eens een muur en een half dak uit! St.Cirq viel ons wat tegen. Het stadje opgetrokken tegen de klippen was moeilijk toegankelijk, een stroom toeristen en parking €3, als er nog plaats was. We trokken de nodige foto’s en keerden terug op onze stappen naar de ‘Camino’. Nog 1.241 kilometer to go!
Cahors
Cahors beviel ons beter (www.tourisme-cahors.com, www.tourisme-lot.com). Het heeft als unicum een brug: de ‘Pont Valentré’ over de Lot met niet minder dan drie versterkte stadspoorten. In navolging van Brugge is er ook gedacht aan het toeristenbezoek. Zo is er aan de toegangsbrug ‘Les Chartreux’ (Pont Louis-Phillipe) tot de oude stad een speciale parkeerplaats voor motorhomes voorzien en sta je ook vrij aan de zwemkom (Ludo-Rollès). Vanuit beide plaatsen rijdt er om de tien minuten (gratis) ‘La Navette’, een shuttle-busje, heen en terug naar het centrum.
Parkeren in het centrum zelf kost €12/dag.
De legende van de Pont Valentré
Onder politieke druk en stress, omdat de bouw van de brug zo lang duurden (70 jaar), besloot de architect een pakt met de duivel af te sluiten. Hij verkocht zijn ziel voor een versnelde afbouw.
Op het ogenblik dat de brug af was en de laatste hoeksteen zou gelegd worden vroeg hij de duivel om water te halen voor zijn werkvolk. Dit met een zeef!
Omdat deze geen enkele druppel water kan aanbrengen gaf Satan toe dat hij gefaald had. Een duivel is een slechtte verliezer, daarom zijn ze tenslotte ook de hemel uitgegooid en, om zich te wreken rukte hij elke nacht de laatste hoeksteen van de middelste toren af. Zo kwam het dat de brug ook nooit afgewerkte was en werklieden, dag in dag uit, het euvel moesten herstellen wat ook al weer extra geld kostte.
In 1879, met restauratiewerken aan de brug kwam de nieuwe architect, die op de hoogte was waarom er iedere nacht een hoeksteen verdween, op het gedacht de duivel de duivel aan te doen. Hij liet een duivel op de steen sculpteren. Satan dacht dat er een andere duivel zijn werk had overgenomen en staakte zijn nachtelijke bezigheden. Eerlijk gezegd hij zag het ook niet meer zitten iedere nacht uit zijn warme kooi te moeten. En zo kwam het dat de hoeksteen s’ nachts nooit meer verdween en de brug als af kon beschouwd worden.
Condom
De volgende halten waren Montcuq www.tourisme-montcuq.com, Moissac - waar we op een parking niet ver van de abdij konden overnachten - en Lectoure.
Niet van grappen gevrijwaard is het plaatje Condom (www.tourisme-tenareze.com). De commerce draait er goed aan mee naar het aantal aanzichtkaarten in de uitstalrekken van de krantenwinkels te oordelen. We sturen enkele kaarten naar vrienden, voorstellende: een pelgrim goed voorzien van een lading Franse kapotjes, wat ze hier capot anglaise noemen!
Ik maakte hier in de sacristie van de kerk, waar we ons boekje lieten afstempenen, kennis met een ouder koppel uit Tours. Ook zij waren in Le Puy van start gegaan. Hij, Jean was sedert april op rust gesteld, zij, Françoise en huisvrouw verklap me “het was voor ons al een lange droom om deze pelgrimage eens te mogen doen in goede gezondheid, de Heer heeft onze verzuchting gehoord en zo staan we hier, goed, gezond en wel.” Ik vraag haar waarom ze dit doen. “Hij (Jean) uit sportieve prestatie, maar ik half sportief en half met religieuze overtuiging,” fluistert de vrouw met een knipoog terwijl Jean ongeïnteresseerd een andere kant opkeek.
Moslims moeten eenmaal in hun leven naar Mekka. Het is van moeten! Christenen hebben een scala van mogelijkheden en vrije keuze om op bedevaart te gaan: Rome, Lourdes, Scherpenheuvel en naar Santiago de Compostela.
Bij de moslims gebeurt het op een bepaalde periode van het jaar, de Hads. Christenen organiseren het gehele jaar door.
In Eauze (www.mairie-eauze.fr en www.eauze.eu) was er een veertiendaags zomerfeest aan de gang, genre Gentse Feesten. ‘La Feria’, bestaat uit muziek maar ook torero’s. De middenstad was afgesloten en na mijn boekje te laten afstempelen zochten we de volgende overnachtingplaats op: Nogaro, onder de kerktoren.
La Course Landaise
In het stierengevecht bestaan er de Corrida en Novillada, waarbij de stier gedood wordt door de matador. In de Camargue bestaat de Course Camarquese en hier de Course Landaise. In de Camarque moeten de moedigen een kokarde van tussen de horen der stier weten te bemachtigen. De Landaise is een oude traditie en meer een folklorist spel van acrobatie. Het beest wordt in bedwang gehouden door ‘les teneurs de cordes’ met een koord vast geknoopt aan de horens. Het werk van de ‘écarteur’ is de aandacht van de wilde koe (geen stier) af te leiden. De torero als de Spaanse collega doet allerhande ontwijkoefeningen maar dan wel zonder rode cape. De kunst is nu aan een andere, de ‘sauteurs’ met aan een sprong over de koe de nodige variaties te koppelen. De spectaculairste zijn de gevarieerde sprongen, buiteling en salta-mortales, enz. Het spel kent geen dodelijke afloop. Niet voor de springers en ook niet voor de koe.
Een Vlaamse pelgrim
Als we ontwaakten was het niet door het klokkengeluid maar wel door de hel die losgebarsten was. Het was al bliksemschichten, boos wolkengebrom en keiharde donderslagen wat de satansklok te bieden had. De regen gutste met bakken uit de hemel. Op zulke momenten maak je kennis met de eerste Vlaming op weg naar Compostela. Een kletsnatte Koen Hellemond stond aan de auto en vroeg om even te mogen schuilen. Het zag er uit dat het hemelgeweld voor de rest van de dag voor een verzopen aarde zou zorgen. We besloten de tocht door de bossen wegens bliksemgevaar af te lassen en de 23 km te overbruggen met de auto. Een loodzware rugzak werd door Koen in de leefruimte gehesen en Eliane stond haar plaats af en kroop ook achterin bij Sloeber.
Gedurende het rijden hadden we het natuurlijk het over de ‘Camino’. Koen had het moeilijk om een geschikt bed te vinden. Hij meet dan ook 1,90 meter en is meestal ‘smorgens niet al te best uitgeslapen. Ook liep hij met de Fransen niet te hoog op. Chauvinisten. In tegenstelling met de Spanjaarden leven de Fransen inderdaad niet hard mee met de pelgrimage, dat voornamelijk zich hier toch ook te lande voor een groot Europees deel afspeelt. De bewegwijzerei is de gekende wit-rode streep van de GR65. Het afstempelen gebeurt meestal in de ‘Offices du Tourisme’, die hier voor goddank een speciale stempel achter de hand houden. Maar de bureaus zijn maar open gedurende de werkuren (ook van 12-14h gesloten). Dit telt dan ook voor de winkels waardoor het soms moeilijk wordt aan drank en mondvoorraad te geraken.
In Aire sur l’Adour (www.aire-sur-adour.org) namen we afscheidt van Koen. We gingen vandaag toch niet verder en hadden al eerder besloten
in de voetsporen van d’Artagnan
te treden. Uit mantel en degenfilms is deze held van Alexandre Dumas in zijn roman gekend als een van de drie musketiers. Eliane had uitgedokterd dat deze Gascogniër hier ergens in de buurt zijn geboortehuis had. We zochten het op en reden naar het dorpje Lupiac. Geen standbeeld op het dorpsplein maar wel een interessant museum (€5 entree, www.lemondedeartagnan.fr en regio d’Aignan: www.aignan.org en www.cc-terresdarmagnac.com).
We leerden dat: de ‘echte’ d’Artagnan geboren werd als voluit Charles de Batz Castelmore d’Artagnan’ (1611). Hij stierf bij het beleg van Maastricht (1673). Hij was musketier onder Louis XIII (en niet onder Louis XIV zoals in het boek!) Omdat hij kind was van verarmde landedellieden (hij was de zevende van acht kinderen) en er in zijn boerendorp weinig te beleven viel trok hij, onder de naam Chevalier d’Artagnan naar Parijs en nam er dienst als militair.
Wist je hoe de plaatselijke geestelijke drank ‘Armagnac’ - la devine eau-de-vie - ontstaan is? De Arabieren hadden een distilleerprocedé uitgevonden om parfums te maken. De paters van Gascogne gebruikten de vondst in de 14de eeuw voor het distilleren van de geestelijke drank (enkel voor medicinale doeleinden wel te verstaan).
Het einde waar het allemaal begon
Op 6 juli 2009 stond ik, met een krop in de keel en tranen in de ogen, terug in het stokoude kerkje van de ‘Notre-Dame du-Bout-du-Pont’ in St.-Jean-Pied-de-Port. Van hieruit trok ik tien jaar geleden de brug over, waar in een nis van de stadspoort een in steen gehouwen homo sapiens met opgegeven lange stok mij uitgeleidde deed en, een aan de andere kant een Madonna met de kind op de arm, ook vanuit een nis, mistroostend nakeek. De lange stok dat de man mij showde was om niet te vergeten. Het zou bet kunnen dienen om wilde beesten en slangen van het lijf te houden.
Ik had net een interview van ene zekere Landsschoot, Nederlandse pelgrim die het goede voornemen had na Compostela de ganse weg terug te voet af te leggen naar het geteisterde Enschede van de vuurwerkramp. Of hij het gehaald heeft is me niet bekend.
Nu stond ik er weer. Eindpunt.
De zon kwam op en de wereld bestond weer voor één dag.
Wat dreef hen? Wat dreef mij om deze gekke,
loodzware pelgrimstocht te ondernemen?

Highligts in Frans Baskenland
De Baskische taal: Euskarra.
De grotten van Sare (www.grottesdesare.fr.
Saint-Jean-Pied-de-Port, (‘Donibane Garazi’ in het Baskisch, www.pyrenees-basques.com. E-mail: Saint.jean.pied.de.port@wanadoo.fr.)
Gorges de Kakuetta (vanuit Sainte Engrace, www.sainte-engrace.com.)
De l’Hopital-Saint-Blaise (Unesco) is een 12de eeuws kerkje, die herinnert aan de middeleeuwse pelgrimage naar Santiago. Het kerkje is een unieke voorbeeld van Moslim architecturale invloed in Frankrijk (www.hopital-saint-blaise.fr.)
Raadpleeg ook: www.sitesetmuseesenpaysbasque.com.
Wat betekenen de volgende woorden: corrida en novilada, toro de fuego, toro piscine, encierro, grand chistera, Tauromachie, course de vaches royale?
©WWW.camperreiswegwijzer.com